Resultaten uit onderzoeksproject Omhoog met het Veen
Herstel van veenvormende
natuur op landbouwgrond
In het Ilperveld bij Amsterdam is in 2013 een experiment gestart met
een grote uitdaging: het ontwikkelen van soortenrijke laagveennatuur op
voormalige landbouwgrond. Vanuit een verplichte natuurcompensatie
was veenmosrijke natuur één van de opgaven. Geïnspireerd door Duitse
collega’s hebben we de techniek van “Sphagnum farming” ingezet. Het
toont aan hoe paludicultuur de biodiversiteit en ecosysteemdiensten,
zoals natuurlijke veenecosystemen die vervullen, kan herstellen.
Door: Bas van de Riet, Eva van den Elzen, Niels Hogeweg, Fons Smolders en Leon Lamers
Over de auteurs:
Drs. B. van de Riet is als projectleider werkzaam bij Onderzoekscentrum
B-WARE
Drs. E. van den Elzen is promovenda bij de Radboud Universiteit, Afdeling
Aquatische Ecologie en Milieubiologie
N. Hogeweg is projectleider bij Landschap Noord-Holland, Afdeling
Natuurlijke Zaken
Prof. dr. A.J.P. Smolders is werkzaam als senior projectleider bij
Onderzoekscentrum B-WARE en hoogleraar aan de Radboud Universiteit,
Afdeling Aquatische Ecologie en Milieubiologie
Prof. dr. L.P.M. Lamers is hoogleraar aan de Radboud Universiteit, Afdeling
Aquatische Ecologie en Milieubiologie
Het huidige beheer van veenweidegebieden is niet toekomstbe-
stendig, zeker niet bij het veranderende klimaat en de stijging van
de zeespiegel. De vicieuze cirkel van bodemdaling gevolgd door
aanpassing van het waterpeil moet worden doorbroken. Om deze
reden hebben we in het project ‘Omhoog met het Veen’ afgelo-
pen jaren onderzoek gedaan naar een duurzaam alternatief: ac-
tief herstel van veenvormende natuur op voormalige landbouw-
grond. Bodemdaling wordt gestopt, karakteristieke veenvormende
laagveennatuur wordt hersteld en na verloop van tijd zal opnieuw
veen worden gevormd. In dit artikel bespreken we de resultaten
van 3,5 jaar onderzoek in het Ilperveld, vlak boven Amsterdam,
ge nancierd door de Provincie Noord-Holland.
LOCATIE EN PROEFOPZET
De proefpolder (8 ha) bestond tot 2013 uit veenweidegraslanden
in onderbemaling, wat wil zeggen dat de grondwaterstand in de
polder extra laag werd gehouden voor beweiding met vleesvee en
de percelen jaarlijks werden bemest met ruige mest en drijfmest.
Het gevolg is dat het maaiveld hier veel sneller gedaald is dan in
de omgeving; het ligt gemiddeld 30 cm beneden het boezempeil.
Bij de inrichting van de proe ocatie is slechts een minimale hoe-
veelheid van de toplaag van de percelen verwijderd (ca. 10 cm) om
zoveel mogelijk van de veenbodem te behouden. Bovendien is het
FOTO 1: IN SEPTEMBER 2013 ZIJN VEENMOSSTEKJES AANGEBRACHT OP DE GEPLAGDE
VEENBODEM. DE STEKJES BEGONNEN REEDS DIEZELFDE WINTER UIT TE GROEIEN EN
VORMEN NU OP VEEL PLEKKEN EEN VLAKDEKKENDE VEENMOSVEGETATIE. FOTO: B.
VAN DE RIET.
vanwege het overstromingsrisico onwenselijk om de maaiveldhoog-
te in de onderbemaling nog verder onder het boezempeil te bren-
gen. Nadeel van oppervlakkig plaggen is dat de bovenste veenlaag
sterk veraard is en nog een groot deel van de meststoffen bevat.
Van de hoeveelheid fosfor die door het agrarisch gebruik in de bo-
dem is geaccumuleerd, resteert na plaggen nog ca. 80% in de bo-
venste bodemlaag. Na de plagwerkzaamheden is het oppervlakte-
waterpeil verhoogd tot enkele centimeters onder maaiveld. Om een
veenmosvegetatie te ontwikkelen zijn in totaal 80 big bags (1 m3
per stuk) met veenmos verzameld op een donorlocatie in het
Ilperveld. De mossen zijn geklepeld en de stekjes uitgestrooid op de
geplagde percelen, de zgn. veenmosakkers (zie foto van vlak na de
inrichting). Deze veenmosstekjes kunnen weer uitgroeien tot nieu-
we planten en op die manier een aaneengesloten veenmosvegetatie
vormen (zie tekstbox veenvorming en veenmossen). Nooit eerder
werd in Nederland op deze manier veenmos geteeld om voormalige
landbouwgrond om te vormen naar veenvormende natuur. Het is
een vorm van paludicultuur waarbij de inrichting en het beheer ge-
richt zijn op natuurontwikkeling, en niet op de gewasproductie.
32
bodem nummer 2 | april 2017
UITDAGINGEN VOOR HET WATERBEHEER
Het is echter niet op alle locaties gelukt om veenmossen te laten
groeien. Het waterbeheer blijkt cruciaal, zowel met betrekking tot
kwaliteit als kwantiteit. We zien dat plaatselijk, ondanks een peil-
beheer vlak onder maaiveld, veenmossen niet vochtig genoeg blij-
ven om droge perioden in de zomer te overleven. Dit komt door-
dat de veraarde veenbodem zijn wateropnemende functie
grotendeels is verloren, waardoor er minder water vastgehouden
wordt en er minder water kan in ltreren vanuit de watervoerende
greppels. Tijdens droge perioden verdroogt het veenmos daarom
toch ondanks het hoge slootpeil. Op deze plekken is duurzame
vestiging van veenmossen niet mogelijk. Voor blijvende veenvor-
ming zou de huidige veenmosvegetatie daarom oppervlakkig be-
vloeid moeten worden, waardoor de mossen steeds verder boven
het water uitgroeien. Door de waterstand mee te laten stijgen met
de groei van de veenmossen is dan hernieuwde veenvorming mo-
gelijk. Echter, de slechte waterkwaliteit in het Ilperveld vormt een
knelpunt voor overleving en groei van de veenmossen. De kwali-
teit van het boezemwater, en dan met name de grote buffercapa-
citeit (hoge bicarbonaatconcentraties: alkaliniteit tot 3.5 meq/l),
is dusdanig dat de veenmossen op de akkers een overstroming
met oppervlaktewater niet lang overleven.2,3
Daarom blijkt nu de belangrijkste bepalende factor voor veenvor-
ming de mate waarin de watervoorziening kan worden geregu-
leerd. Het boezemwater kan niet gebruikt worden voor opper-
vlakkige overstroming en daarom zijn de veenmossen voor een
groot deel van hun vochtvoorziening afhankelijk van neerslag.
De resterende meststoffen, die na vernatting vrijkomen vanuit de
bodem, zijn verrassend genoeg een veel minder groot probleem
voor de veenmossen. Een risico bij hoge fosforbeschikbaarheid is
dat een soort als Pitrus (Juncus effusus) de vegetatie gaat domi-
neren. Op plekken waar de veenmossen goed ontwikkelen lijkt de
veenmosvegetatie, mede door combinatie met adequaat maaibe-
heer, de concurrentie met Pitrus goed aan te kunnen.
CONCLUSIE
Het ontwikkelen van veenvormende veenmosvegetatie op voorma-
lige landbouwgrond blijkt inderdaad mogelijk. Op grote delen van
de proe ocatie hebben zich karakteristieke laagveensoorten kun-
nen zich vestigen en weten zich, in ieder geval op de korte termijn,
te handhaven. Naast kenmerkende plantensoorten zien we binnen
enkele jaren ook bijzondere laagveenpaddenstoelen verschijnen.
De broeikasgasemissies worden sterk gereduceerd en de veenmos-
vegetatie is in staat om netto koolstof vast te leggen. Dit is een ge-
weldig resultaat als je bedenkt dat de uitgangssituatie, een in het
verleden sterk bemeste en deels irreversibel verdroogde veenbo-
dem, verre van ideaal is voor de ontwikkeling van laagveennatuur.
FOTO 3: ZONNEDAUW (DROSERA ROTUNDIFOLIA) EEN VLEESETENDE PLANT DIE NU
TUSSEN HET VEENMOS GROEIT OP DE VEENMOSAKKERS. FOTO: B. VAN DE RIET.
FOTO 4: DE BROEIKASGASEMISSIES WERDEN GEMETEN DOOR EEN FLUXKAMER OVER
DE BODEM EN DE VEENMOSVEGETATIE HEEN TE PLAATSEN. IN DE KAMER WORDEN DE
VERSCHILLENDE BROEIKASGASSEN GEMETEN. HET RESULTAAT IS EEN BEPALING VAN
DE NETTO BROEIKASGASEMISSIE. FOTO: E. VAN DEN ELZEN.
TOT SLOT: VISIE OP DE TOEKOMST
Idealiter zou er in de winter voldoende regenwater (dat een zeer
lage buffercapaciteit heeft) vastgehouden moeten worden om in
de zomer het oppervlaktewater van de veenmosakkers op peil te
kunnen houden. Hoewel het aangelegde waterbassin van 2,5
hectare voorziet in aardig wat opslagcapaciteit, is dit nog niet
voldoende. Zolang de waterkwaliteit in het Ilperveld niet verbe-
tert, blijft het een kwestie van balanceren tussen voldoende voch-
tig houden van de bodem van de veenmosakkers en het net niet
laten overstromen van de veenmosvegetatie. Dit is een uitdaging
die zelden leidt tot maximale veengroei. De veenvorming én de
moerasnatuur zouden er dus zeer bij gebaat zijn wanneer het
Ilperveld minder onder invloed komt van het boezemwater, en
meer regenwater kan vasthouden.
REFERENTIES:
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Vos, P.C., J. Bazelmans, H.T.J. Weerts & M.J. van der Meulen
(2011). Atlas van Nederland in het Holoceen.
Harpenslager, S.F., G. van Dijk, S. Kosten, J.G.M. Roelofs,
A.J.P. Smolders & L.P.M. Lamers (2015). Simultaneous high
C xation and high C emissions in Sphagnum mires.
Biogeosciences 12: 4739-4749.
Van den Elzen, E., Kox, M.A.R., Harpenslager, S.F.,
Hensgens, G., Fritz, C., Jetten, M.S.M., Ettwig, K.F., Lamers,
L.P.M. (2017) Symbiosis revisited: phosphorus and acid buf-
fering stimulate N2 xation but not Sphagnumgrowth.
Biogeosciences, 14, 1111-1122.
Temmink, R.J.M., C. Fritz, G. van Dijk, G. Hensgens , L.P.M.
Lamers, M. Krebs, G. Gaudig & H. Joosten (2016).
Sphagnum farming in a eutrophic world: The importance of
optimal nutrient stoichiometry. Ecological Engineering 98:
196-205.
L.J. Pons (1992). Holocene peat formation in the lower
parts of the Netherlands. In: Fens and bogs in the
Netherlands: vegetation, historie, nutrient dynamics and
conservation. J.T.A. Verhoeven (ed.). Kluwer Academic
Publishers.
Van den Akker, J. (2005). Maaivelddaling en verdwijnende
veengronden. In: W.A. Rienks en A.L. Gerritsen, 2005.
Veenweide 25x belicht. Een bloemlezing van het onderzoek
van Wageningen. Wageningen Universiteit en
Researchcentrum.
Myhre, G., D. Shindell, F.-M. Bréon, W. Collins, J.
Fuglestvedt, J. Huang, D. Koch, J.-F. Lamarque, D. Lee, B.
Mendoza, T. Nakajima, A. Robock, G. Stephens, T. Takemura
and H. Zhang (2013). Anthropogenic and Natural Radiative
Forcing. In: Climate Change 2013: The Physical Science
Basis. Contribution of Working Group I to the Fifth
Assessment Report of the Intergovernmental Panel on
Climate Change. Cambridge University Press, USA.